Genevieve

1.

Ik heb alles uitgeprint en het stapeltje papier nu al meerdere keren doorgespit, van voor naar achter en terug. Mijn complete mailwisseling met Genevieve kan ik nu dromen. En, ik kan er ook nu nog helemaal niets vreemds of verkeerds in ontdekken. Het enige dat misschien opviel was de nogal ‘stroperige’ toon, van deze ‘Franse tante’. Ja, en haar naam dan. Maar dat is feitelijk onzin. Ik heb namelijk altijd wel een vooroordeel over aanstaande gasten, wanneer ik die nog niet gezien heb. Of, misschien ben ik nu wat te hard voor mezelf en moet ik het niet een vooroordeel noemen, maar gewoon een indruk. Een indruk die soms ontaardt in een voorgevoel en wellicht een enkele keer in een vooroordeel. Maar van Genevieve viel mij dus alleen de naam op en de wat plakkerig aandoende vriendelijkheid van haar mailtjes. En haar jubelend enthousiasme. Dat ook.

Ik weet nog precies hoe blij ik was met deze allereerste boeking van ons gloednieuwe onderkomen. Trots heb ik iedereen laten weten dat onze nog te bouwen accommodatie – een prachtige set van vier houten treinstellen – al verhuurd was voordat er zelfs maar een foto van bestond, omdat het nog maanden zou duren voor het allemaal klaar en operationeel zou zijn. Deze blinde boekingen zetten overigens gestaag door; er waren uiteindelijk al acht weekenden geboekt op de dag van de opening, nu alweer vijf weken geleden. Maar, de allereerste en meest enthousiaste huurders waren de twaalf vriendinnen van Genevieve, en de opperheks haarzelf.

Opperheks?

Ja, het is misschien wat riskant dit zo op te schrijven, maar ik kan er niet langer omheen. Het is ook niet dat ik twijfel over die benaming, het is meer dat ik niet weet wat de gevolgen zullen zijn van het op schrift stellen van deze wetenschap. Want dat hier hekserij in het spel is, dat staat voor mij vast. Hoewel het best even heeft geduurd voor wij het in de gaten hadden, dat er iets echt fout zat.

Het begon na het vertrek, nee het begon al tijdens het verblijf van de meisjes Magica. Bij hun aankomst ging er mij nog geen lichtje op. Het enige dat bij mij op kwam was een bijna niet te onderdrukken lachstuip. Wat hadden die zich toegetakeld. Ik heb wel vaker vrijgezellenfeestjes gezien en jonge mannen of vrouwen die zich gekker dan raar hebben uitgedost om zo de stad in te gaan. Maar ik kon me niet voorstellen dat dit hier aan de hand was. Je kon ook zien dat het niet gewoon overtuigde Gotics waren, want de kleding was net als de make-up die ze gebruikten wel overwegend zwart, maar er was nog iets bijzonders aan. Ten eerste droegen ze allemaal erg veel kleding. Per persoon hingen er misschien wel twintig lagen over elkaar, die allemaal één eigenschap gemeen hadden, namelijk doorzichtigheid. Gaas, kant, stretch nylon. Alles in doorzichtig zwart. Je kon zo – lagen of niet – alles zien zitten. En ook dat was veel, want het leek wel een weight watchers bijeenkomst. Heus, ik bedoel het niet lullig hoor, ik ben zelf drie jaar geleden dertig kilogram aangekomen na het stoppen met roken, en het afkicken duurt nog altijd voort. Het stoppen met troosteten is er hier dus nog niet van gekomen, bedoel ik eigenlijk te zeggen. Daardoor alleen al zou ik niet op het idee komen mijn omgeving te belasten met het dragen van vergelijkbare kleding als die dames droegen bij hun verschijnen op ons terrein. Allen trokken zij een rolkoffertje over het grind. Een relatief klein rolkoffertje, maar dat is logisch als je bedenkt dat hun meegebrachte verschoningen waarschijnlijk ook panty-dun en van een voile gewicht waren. Nu ik er zo over nadenk had ik toch wel wat eerder argwanend kunnen worden. Maar, ik ga er juist altijd prat op graag te leven en ook te laten leven. Ieder moet maar doen wat hij of zij fijn vindt, zolang anderen daar niet mee belast, gekwetst of gekrenkt worden, is mijn stelregel. En ik zag er niet zoveel kwaad in op dat moment, in al dat lillende vlees op leeftijd, het geruis en gekir. Het gegiechel en gehijg. COPD waarschijnlijk, dacht ik toen. Dat herinner ik me nu ook ineens weer. Al die zwaarlijvige wellustelingen hijgden en puften en barstten in gierende hoestbuien uit omdat ze zich zo overenthousiast uitlieten over hun weekendverblijf bij ons. En ik stond erbij en stond het toe, dat zij onze mooie trein en de bijhorende schuur met houtkachel, keuken en badkamer innamen.

2.

Om 02.00 uur die eerste nacht ontving ik een appje, van Genevieve, met de vraag of de automatische verlichting buiten bij de schuur kon worden uitgeschakeld. Natuurlijk zag ik dit appje pas de volgende ochtend, waarna ik terug appte dat dit helaas niet mogelijk was, omdat deze verlichting geschakeld was met andere belangrijke veiligheidslichten op het terrein. Daar heb ik nooit meer een antwoord op gekregen. En hoe ik ook zoek, het appje is nergens meer te vinden in mijn telefoon. Heel het contact is verdwenen. Zoals gezegd: de mailwisseling is er nog wel, maar elke keer als ik nu poog een nieuwe mail naar haar adres te zenden krijg ik deze als onbestaand mailadres terug. Er is geen contact meer mogelijk. Haar opgegeven huisadres blijkt fictief en haar bankrekening is opgeheven. Maar daar kwam ik veel later dan die eerste avond achter. In diezelfde nacht bereikte mij nog wel een ander berichtje, van mijn buurman aan de overkant. Deze teruggetrokken vrijgezelle buurboer van middelbare leeftijd kennen wij niet anders als de rust zelf. Maar man oh man, wat ging Titus tekeer in zijn bericht. Dat het toch geen stijl was en dat zijn koeien angstig door de wei sprongen, er was er zelfs eentje in de sloot beland. En dat hij al lang de politie gebeld zou hebben als die vermaledijde stroomstoring niet aan de hand was, maar dat hij het jachtgeweer van zijn vader zaliger uit de kast zou halen om het te gebruiken als wij niet gauw in zouden grijpen en onze gasten onder controle houden, zoals hij het formuleerde. Ook dit sms-je zagen wij pas de volgende ochtend. Meteen ben ik naar de overkant gelopen, om Titus te vragen waar hij het in vredesnaam over had gehad, want wij hadden werkelijk helemaal niets gehoord die nacht! En toen hadden natuurlijk de alarmbellen meteen moeten gaan rinkelen. Want Titus wist nergens van. Ik liet hem mijn telefoon zien met zijn berichtje op het scherm, maar hij leek dat niet te begrijpen. Hij had een compleet verdwaasde blik in zijn blauwe, normaal al tamelijk onschuldig kijkende ogen. En blosjes. Vurige blosjes staan op zijn konen, sinds die dag nu ongeveer vijf weken terug. En er zijn nog andere veranderingen waar te nemen aan het gedrag van onze doorgaans zo bescheiden buur. Zelf heb ik hem al enkele keren zien staan in het struikgewas naast zijn koeien wei. Hij staat dan muisstil op zijn groene kaplaarzen, met blote knieën onder een boxershort, met een van zijn morsige T-shirts aan en kijkt voor zich uit. Naar niets. Hij staart naar om het even wat. Soms staart hij richting een boomstam die zich op nog geen meter afstand van hem bevindt. Met zijn blosjes. We zien ook dagelijks zijn auto voor de boerderij staan. Wat zoveel wil zeggen als dat Titus om wat voor reden dan ook niet meer naar zijn werk gaat. En deze week nog hoorde ik een paar op de fiets langsrijdende pubers wijzen naar zijn woonkamerraam. Giechelend hadden ze het over ‘de pornoboer’. Geen idee wat hij deed om die bijnaam te verdienen, maar ik heb wel een vermoeden wie er de oorzaak van zijn vreemde gedrag kent.

Bij het vertrek van de dames Mikmak droegen ze weer, of misschien nog dezelfde kleding als bij hun aankomst. En in de tussentijd heb ik helemaal niets van ze gehoord of gezien. Ook de andere gasten op ons terrein konden mij niet wijzer maken. Niemand had iets gehoord of iets waargenomen, behalve het gewone geneuzel als geluiden van de landweg, of het spoor in de verte. Helaas kan ik al die weken later niet meer terughalen of enkele van die gasten destijds anders als anders uit hun ogen keken, of ander vreemd gedrag vertoonden. Het waren de gebruikelijke Pieterpad wandelaars en nog wat pensionado’s die van onze camping en boerderijkamers gebruik maakten, en die lijken in principe allemaal een beetje op elkaar, zijn van nature rustig en soms wat zeurderig. Of ze ook waziger dan normaal uit hun ogen keken durf ik op dit moment niet meer te zeggen.

Wat ons het eerste opviel na het vertrek van Eucalypta en haar gevolg waren de rode draadjes. En de dode vogeltjes, maar de rode draadjes zagen we het eerst. Op de vreemdste plaatsen vonden we rode draadjes die om kleine takjes of lucifers waren gewikkeld en geknoopt en daarna verstopt. Onder een kandelaar, onder het serviesgoed in de kast. Onder de grote schaal met walnoten op de tafel, onder de kussens en matrassen. Onder het stapeltje ongebruikte handdoeken in de badkamer. Onder het zeeppompje in het damestoilet. Overal en nergens vonden we dunne takjes omwikkeld met rode draadjes! Het was om zot van te worden. Weken later vonden we soms nog rode draadjes op plaatsen waar we nog niet eerder keken en zeker geen draadjes zouden verwachten. Zoals in onze eigen privétuin onder het betonnen beeld van de dame met het hondje. En onder de voerbak in het kippenhok. En ach, waar niet! Dode vogeltjes vinden we alle jaren al regelmatig. In mei, wanneer de nesten onder onze dakgoten overvol zitten met jonge diertjes en er weleens iets mis gaat, vinden we er zo nu en dan eentje op de mat bij de voordeur of in het grind aan de achterkant. Daar zijn we aan gewend. Maar dit keer moest er wel iets anders aan de hand zijn. Ten eerste is het september en zijn er geen jonge vogels. Ten tweede zijn het er veel. Lijkjes. Ik heb weleens ergens gelezen dat een dood vogeltje een veroverde ziel belichaamt, door zwarte magie. Natuurlijk geloofde ik nooit in die onzin. Afijn.

Na het vertrek van de mollige middelbare meisjes ruimden we op en maakten we schoon. Ze hadden de gehele accommodatie en slaaptrein keurig achter gelaten, op de draadjes na. Dus dat viel mee, en voor we het wisten was het weer vrijdag en diende de tweede groep zich aan. Een vrolijke familie, met opa, oma en de eendjes, zoals wij dat gewend zijn te noemen. Ze maakten plezier, genoten van het weer en hadden een BBQ en toen was het zondagmiddag en konden we voor de tweede keer afscheid nemen. Van – het leek wel een heel andere – familie. Suffig en daas stonden ze op een kluitje. Mechanisch schudden ze ons de hand en gelaten knikten ze toen we vroegen of ze het goed hadden gehad bij ons. In colonne liepen ze naar de parkeerplaats, ieder met een tas of koffer in de hand. Oma trok het jongste kleinkind haast achteloos hevig hobbelend voort in een kinderwagentje. Maar de kleine leek zich daar niets van aan te trekken en keek al even stoïcijns voor – of liever gezegd – achter zich uit.

Nadat dit een paar keer zo was verlopen heb ik gepoogd wat research te doen. Wat natuurlijk niet meevalt, want er is zoveel onzin te vinden op het internet en ook in de ouderwetse bibliotheken, op dit gebied. Rode draadjes, dode vogeltjes, doorschijnende zwarte kleding en mollige bijna bejaarde vriendinnen. Daas kijkende gasten en buren. Het zijn nu eenmaal niet de aanknopingspunten waar je veel opheldering van mag verwachten. In een klein zogenaamd heksenzakboekje vond ik iets over rood naaigaren, waarmee je een onwillige ziel romantisch aan je kan binden. Er stond ook nog een waarschuwing bij: let op, eenmaal aan jou gebonden raak je deze ziel niet meer kwijt. Tot de dood jullie scheidt.

3.

Het is ongeveer twee weken geleden, dat mij opviel hoe mijn man zich voor het eerst wat oppervlakkiger leek te gedragen. Hij was niet meteen zo van het pad als Titus, maar zijn ogen stonden op ‘niet storen’ en hij praatte niet meer uit zichzelf. Gaf alleen nog de hoognodige antwoorden. Op dit moment weet ik niet waar hij is. Ik heb hem al vier dagen niet gezien. Op de een of andere manier heb ik het gevoel dat hij niet meer terug zal komen. Dat heeft misschien ook wel te maken met het bundeltje stokjes, omwikkeld met een helderrood garen, dat ik vond in zijn sokken- en onderbroeken la. Eergisteren. Denk nu niet dat ik zo koelbloedig ben, dat mij dit niet kan schelen. Ik hou ontzettend veel van mijn man. We hebben samen al veel meegemaakt en ook dit prachtige vakantieoord gebouwd. Maar, ik voel gewoon, ik weet gewoon zeker dat hier geen omkeren aan is. Ik heb het nu wekelijks zien gebeuren, met onze gasten, alle buren, de postbezorger, de jongen die de BBQ’s komt afleveren, onze loodgieter die de pech had de ketels in deze periode te komen controleren. En nu dan mijn man. Ik beschouw het als een verloren zaak. Ik kan niet anders. Afgelopen nacht heb ik nog als een waanzinnige op het internet gezocht naar andere invalshoeken, mogelijke oplossingen of antwoorden voor dit allesomvattende probleem, maar ik vond niets beters als een facebookpagina van een zekere Vivienne. Ik weet niet op welke zoekwoorden van mij deze pagina naar boven kwam, maar toen ik er begon te lezen sprak de inhoud me wel enorm aan. Het gaat om een groep vrouwen van middelbare leeftijd, die allemaal overeenkomstig wat overgewicht meedragen, wat weer allerlei gevolgen met zich meebrengt. Zo kampen de meeste van deze dames met een zekere eenzaamheid, omdat eerdere relaties in hun levenswandel door uiteenlopende redenen zijn beëindigd en het nu eenmaal over het algemeen niet meevalt de aandacht van het andere geslacht te trekken op inhoud. Het grappige van deze facebookgroep vind ik de positieve toon die overal doorheen schemert. Alle leden lijken zo positief in het leven te staan, en tonen een ontembare vreugde in hun bestaan. Nadat ik me aanmeldde vannacht kreeg ik ook meteen respons van enkele groepsleden. Zo aardig! Na alle stress rond het klaarmaken van onze nieuwe accommodatie en daarna van de vreemde gebeurtenissen en toestanden snak ik naar wat positiviteit. Ik denk dat ik mijn nieuwe vriendinnen ga uitnodigen voor een verblijf op ons terrein. Ik heb sowieso geen idee wat ik hier nu beoog met deze verslaglegging. Waar gaat dit over? En wat doen die takkenbosjes hier eigenlijk op mijn bureau…

Ode aan (in 99 woorden)

Als de honden wat bedaren en mijn kleindochter opzij is kan ik eindelijk open doen voor de wandelaars. ‘Wij zijn er,’ jubelt mevrouw op weg naar binnen, terwijl meneer blijft staan.
‘Wat goed!’ val ik in blijde opluchting. ‘Ik pak mijn schoenen en breng jullie naar je huisje,’ vervolg ik en doe de deur dicht. Pieterpadders dus, denk ik en haast me – kleine op de arm – terug.
‘We zijn drijfnat geregend,’ mevrouw weer.
‘Oh wat erg!’ Leef ik gloedvol mee.
Dan heeft meneer het door. ‘Ach, dan gaan we toch zeker lekker wijnen wijnen wijnen,’ lacht hij.

Tiefla (in 99 woorden)

Ik ben er zelf van geschrokken, ik heb er namelijk 23! Ze zijn in het geheel niet georganiseerd, of het moest zijn dat er voornamelijk het één of ander in zit. Maar dus nooit alleen maar één soort van iets. Was het maar waar. Dan zou je voor een reservesleutel, van je auto of je fiets, of de achterdeur, gewoon in de sleutellade kunnen kijken. Maar zo werkt het niet. Want in mijn sokkenlade vind je bijvoorbeeld ook rekverband, bh-verlengers, een schaartje, aspirines… Noem je het dan nog sokkenla? Of is dit mijn 24ste tief (maar in de) la!

Gekliefde vrouwen (in 99 woorden)

Mijn vriendin krijgt het van putdeksels. Een scheut van onderen. Zij voelt een nijpende angst voor de diepte, wanneer ze op zo’n put zou stappen. Haar angst is zo diepgeworteld dat ze al naar adem snakt als ze vanuit de verte een putdeksel ziet. Zo’n scheut heb ik nou ook. Al is het niet van putten of deksels. Wel heb ik mijn leven lang gedacht dat ik de enige was die dubbelsloeg met een vlijmend zwaard tussen mijn benen, telkens als een geliefde in mijn blikveld op het punt stond zichzelf te bezeren. Ben ik gelukkig toch normaal. Toch?

Oma (in 99 woorden)

Het is meer dan veertig jaar geleden, dat ik op mijn nieuwe laarzen achter haar kist mijn jeugd uit liep. Maar dat wil niet zeggen dat zij niet meer bij mij is. Welnee. Ik adem en voel haar. Ik leef haar. Mijn vier kinderen heb ik opgevoed met de intentie een fractie van de liefde die ik van haar ontving door te geven. Meer achtte ik eenvoudig niet mogelijk. En nu is er iemand die mij diezelfde heldennaam geeft. Oma. ‘Ga zitten en eet,’ zeg ik. Precies zoals zij. Streng! Maar met één oog al op de groenbak.

Neem mij (in 99 woorden)

‘Er is een wedstrijd met verhalen over de liefde,’ zeg ik als hij aan ons nieuwe bureau komt uitpuffen. Hij komt van buiten waar hij dakgoten heeft schoongemaakt. Hoog op een trap. In de wind. Zonder jas, want daar houdt hij niet van. Mijn man. ‘Ik ga lekker,’ zeg ik dan. ‘Eén verhaal staat op een longlist! En één kortverhaaltje is uitgelicht!’
‘Zullen we zo nog koffie drinken?’ Hij bladert zonder op te kijken door rekeningen in zijn postvak. Dan breekt de zon door op zijn gezicht. ‘Schrijf over mij,’ zegt hij. ‘Dan win je die wedstrijd ook.’

Poespiratie (in 99 woorden)

We hebben een nieuw breed bureau, met mooie nieuwe bureaustoelen erbij, zodat we samen kunnen werken, wanneer dat zo uitkomt. Die ruimte hebben we ook nodig, want hij heeft zijn mappen, postbakken, i-padje. En ik mijn twee schermen, grote planlijst, documentenbak, mappen, perforator en nog heel veel andere broodnodige zooi. Daarbij moeten we deze kantoorruimte ook nog delen. Met de hond, die altijd op mijn voeten ligt – we hadden geen rollende stoelen hoeven kopen – en met deze poes. Natuurlijk willen we geen haar op onze nieuwe stoelen. Dus indien onbemand zetten we daar iets op. Dat geeft wel inspiratie.

Apie (aapje, snotaap, snotjongen, kleine jongen)

De man, die nog als enige bewoner op de derde verdieping van het voormalige kantoorgebouw huist omdat hij zich niet wilde laten uitkopen door de gemeente, is door de nieuwe mensen al enige dagen niet gezien. Het is niet zo dat hij door hen node wordt gemist. Nee, zijn dodelijke blikken, zijn gekuch en minachtend gesnuif wanneer ze hem tegenkwamen in het portiek, of op de momenten dat hij net te traag was om snel weer uit de lift te ontsnappen wanneer één van hen instapte, kan iedereen missen als kiespijn. Maar feit is wel dat zij hem inmiddels gewoon zijn.

Het nadrukkelijke geschuifel op de leren pantoffels onder de veel te wijde en op sommige plekken glimmende spijkerbroek. Zijn zilveren ruige haardos boven de gitzwarte wenkbrauwen en de doorborende blik van zijn waterige vaalblauwe ogen zijn een wandelende bevestiging van hun overleven. Van hun leven! Het doet hun beseffen dat ze nu weliswaar worden gedoogd, door sommigen verguisd en door een zeker percentage van hun nieuwe landgenoten misschien zelfs het liefst vergast, maar dat zij het toch maar mooi hadden klaargespeeld te ontsnappen aan die andere oorlog, die met veel meer bloedvergieten gepaard was gegaan en waar vele van hun familieleden en vrienden niet levend aan waren ontkomen.

Zonder het van elkaar te weten hadden enkelen van hun groep al een keer op de deurbel gedrukt, naast de altijd potdichte gordijnen, waar rafels onder hangen en nesten van spinnen als kleine bolletjes katoen boven in de plooien wachten op een nieuw begin. Zo stond daar gisteren Bintu, stilletjes onder de zoemende en enigszins flakkerende tl-verlichting halverwege de lange gang met identieke blauwe deuren tussen de blinde ramen op een rij, bijna zover als ze kon kijken. In haar hand hield ze het boek dat ze gevonden had op het bankje in de lift en waarvan ze vermoedde dat hij het daar per ongeluk had achtergelaten. ‘heer der vliegen’ stond er op de rug, maar ze wist pas om welk boek het ging toen ze de schrijversnaam William Golding herkende. Ze las het boek lang geleden in een Engelstalige versie, in een zomervakantie toen ze nog jong en gelukkig genoeg was om zich over het verhaal te verbazen.

De deurbel maakt hetzelfde roestige mechanische geluid dat zo slecht past in deze setting van techniek en westerse vooruitgang als de vorige dag. Maar Amir die er vandaag op zijn tenen met uitgestrekte arm maar net bij kon hoort nog iets anders. Hij knielt als in gebed om zijn oor zo dicht mogelijk bij de kier onder de deur te houden. Luistert en springt dan op om richting het portiek te rennen, hulp te halen! Maar, nog lang niet bij het einde van de gang stopt hij abrupt en slaat een hand voor zijn mond om de wild opkomende schreeuw van schrik tegen te houden. Zijn ogen groot van angst en op weke benen keert hij om, loopt langzaam weer terug naar de deur waarachter die oude man op de grond ligt. ‘Mneer, mneer maak open mneer!’ Hij roept het zachtjes door de kier onder de deur maar weet al dat de deur niet open zal gaan. Hij begrijpt dat de oude man geen kracht meer heeft om naar de deur te komen, op te staan en open te doen. Zijn kreunen klinkt broos en met steeds langere tussenpozen.

Wat kan hij doen? Hij kan niet naar zijn vader en zijn oom gaan, ze zullen hem niet willen helpen deze deur open te maken. Of ze maken de deur wel open om dan dingen te laten gebeuren waar hij niet aan wil denken. Dingen die hij nooit meer wil zien of meemaken. Ze zullen niet geloven dat de boze oude man ook een zachte kant heeft. Dat hij zijn grote knokige hand met een verrassende voorzichtigheid op Amir’s hoofd legde nadat hij hem overeind had getild en op zijn voeten gezet, toen hij van de veel te hoge kinderfiets was gevallen, die zijn deel was geworden bij de winkel met gebruikte spullen waar ze met zijn allen naar toe waren gebracht toen bleek dat ze hier tijdelijk zouden mogen wonen. Zo zacht als de oude hand aanvoelde op zijn achterhoofd, zo keken ook de lichtblauwe ogen Amir aan, en vanaf die dag begon Amir de man af en toe op te zoeken. Kwam hij hem steeds vaker per ongeluk tegen in de lange gangen, op de parkeerplaats of op het pad dat achter de gebouwen tussen het gras en de spoorlijn helemaal doorloopt naar het winkelcentrum.

Apie, zo noemt de man Amir altijd. Amir kent al veel Nederlandse woordjes en hij vraagt zich af waarom de man hem naar een aap lijkt te noemen, maar het kan niet dat de man het kwaad bedoelt want hij kijkt er altijd zo vriendelijk bij en met een gloed in zijn ogen, die Amir zich van zijn moeder herinnert. Het heeft Amir zo verbaasd en verontrust toen hij zich dat voor het eerst realiseerde dat hij er een hele nacht niet van heeft kunnen slapen. Maar hij durfde het niemand te vragen, hoe het mogelijk is dat deze oude blauwe ogen hem doen denken aan de lieve koolzwarte ogen van zijn moeder toen die alle schemeravonden haar liedjes voor hem zong. Thuis. Toen thuis nog niet hier was en zij nog niet dood. Hij neemt een besluit en rent nu toch de gang uit naar het trappenhuis.

De surveillerende agenten houden de kleine donkere jongen al een tijdje in de gaten tegenover de vluchtelingenflat bij de spoorlijn. Hij heeft het niet door, druk als hij is, heen en weer rennend door het hoge gras. Hier heeft hij het toch laatst zien liggen! Een groot en dik stuk ijzer, met een plat uiteinde aan één kant. Precies goed om tussen een deur te duwen teneinde deze open te wrikken. En als dat niet lukt kan hij er altijd nog het raam mee inslaan. Daar ligt het!

Op het moment dat de twee agenten op de derde verdieping aankomen zien ze halverwege de lange gang de kleine jongen wild tegen één van de ramen slaan met het stuk ijzer dat hij bij de spoorlijn had opgeraapt. Wat ze niet zien is dat hij ten einde raad is en huilend poogt bij de oude man te komen door het raam in te slaan, omdat het ijzer te dik was om tussen de deur te duwen. Maar het is ook te zwaar en ligt te lomp in zijn kleine handen om doeltreffend te zijn op het geluidsisolerende dubbelglas in de sponning. Tranen rollen over zijn wangen en hij roept aan een stuk door; ‘Mneer mama mneer mama mneer mama.’

In geen tijd is er versterking en wordt de jongen meegenomen onder begeleiding van een jeugdhulpverlener en een vrouwelijke agente. Vier andere agenten houden de toegestroomde bewoners van de bovenliggende verdieping tegen in het portiek, waaronder de wild schreeuwende vader en oom van Amir, die de taal nog niet voldoende beheersen om duidelijk te maken dat ze bezorgd zijn om de kleine jongen. Het wordt een vechtpartij waarbij één man over de reling in het trappenhuis valt en meerdere mensen gewond raken, onder andere door de knuppels van de agenten. Nadat nog meer versterking met loeiende sirenes is gearriveerd worden minstens twintig mannen en vrouwen afgevoerd om verhoord te worden, zodra de benodigde tolk is gearriveerd. Ook hulpverleners en vluchtelingenwerkers worden ingeschakeld om te achterhalen wat hier deze middag precies mis is gegaan.

Het is pas de volgende middag als iemand op het idee komt dat het tumult begon bij de deur van die ene onwillige man die nog geen vervangende woonruimte had geaccepteerd op het moment dat de bovenverdieping werd aangewezen voor deze groep asielzoekers met uitzicht op een verblijfsvergunning. ‘Wat voor man?’ roept een vrijwilligster.

Natuurlijk komen ze te laat, die middag, wanneer ze volgens protocol zijn deur forceren. Uitgemergeld ligt de oude op de drempel van de woonkamer naar de gang, waar hij vier dagen eerder struikelde en zijn heup brak. In zijn kleine woning is niets te vinden dat wijst op familieleden of andere nabestaanden. Er is wel een facebookpagina opengeklapt op zijn computer, maar die is alleen gelinkt aan opruiende sites die voornamelijk verhalen van misstanden en overlast door vluchtelingen. Ze zullen op het bureau moeten proberen te achterhalen of er nog rechthebbenden zijn, die aanspraak kunnen maken op de schamele bezittingen die hier aanwezig zijn. Hoewel het enige dat hier misschien van waarde is, de in vrolijk papier gepakte speelbal zou kunnen zijn, waar met zwarte stift het woord Apie op is geschreven.

Vleermuis (in 99 woorden)

Je ziet hem niet, maar hij is er wel en hij is niet alleen. We hebben vleermuisjes, die in de schemeravond voor het raam van mijn kantoortje langs duikelen. Ik weet niet waar ze huizen, als ze niet over het terrein vliegen. Ik vermoed ook ergens onder de goten. Gebroederlijk tussen de mussen misschien. Het maakt me niet echt uit, ik ben blij met hun aanwezigheid. Geweldig toch, zo’n heel leger pluizige vampiertjes, klaar om rond ieders bange hoofd te cirkelen, te suizen en te duiken, te landen en verstrengelen in warrig haar van bangeriken en andere slechteriken.

Open deur (in 99 woorden)

Ook niet-betalende individuen zien wij graag. Bij Buitenboel. Neem nou de musjes onder onze dakgoten. Vrolijk worden we van hun drukke gekwetter en fladderend gesleep met stro en takjes. Het massaal oversteken van de goot naar de heg aan de overkant, in duikvlucht, of het badderen in de schaal met water en grind. Bijkomstige ellende nemen we voor lief. Zoals het te pletter vliegen tegen een van de ramen of de uit het nest gevallen blote lijkjes op de stoep. Het hoort er allemaal bij. Nee, je moet het wel heel bont maken, voor we de deur sluiten.